Direct naar content gaan

HR arresten

  • 3 april 2026
    • HR

      Hoge Raad 2026-04-02 ECLI:NL:HR:2026:558

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/01396

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-02 ECLI:NL:HR:2026:557

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/01375

  • 4 maart 2026
    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:526

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01874

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:524

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01872

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:523

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01871

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:519

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01868

    • HR

      Volgorde van criteria bij beoordeling van niet-preferentiële oorsprong van goederen (2)

      X (SAS; belanghebbende) heeft in 2013 fietsen ingevoerd uit Cambodja met toepassing van een preferentieel nultarief. Na een OLAF-onderzoek stelde de Inspecteur dat voor een deel van de fietsen antidumpingrechten verschuldigd waren omdat de niet-preferentiële oorsprong China zou zijn. Volgens OLAF bedroeg de in Cambodja toegevoegde waarde minder dan 45% en waren de belangrijkste onderdelen afkomstig uit China. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de Inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens terecht heeft aangenomen dat de fietsen de niet-preferentiële oorsprong China hebben. X heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dat gegrond. De Hoge Raad stelt voorop dat de Inspecteur moet bewijzen dat de fietsen van oorsprong China zijn. De niet-preferentiële oorsprong moet worden vastgesteld aan de hand van technische criteria. Daarbij moet worden beoordeeld in welk land het belangrijkste productiestadium heeft plaatsgevonden en of essentiële onderdelen daar hun definitieve bestemming en eigenschappen hebben verkregen. Pas als dat onderzoek geen uitsluitsel geeft, mogen andere criteria zoals toegevoegde waarde worden toegepast. Het Hof heeft deze beoordelingsvolgorde miskend. Ook heeft het Hof zich te veel beperkt tot de werkzaamheden in Cambodja. De zaak wordt teruggewezen. Zie ECLI:NL:HR:2026:389. Rolnummer: 22/04803

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:522

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Wrakingsverzoek. De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking af. Rolnummer: 25/03569

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:520

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01869

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:525

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01873

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:521

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01870

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:527

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/01875

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:532

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04018

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:528

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02706

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:529

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02707

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:533

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04219

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:531

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03620

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:530

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03567

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:538

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04336

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:536

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04232

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:535

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04222

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:534

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04220

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:537

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04331

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:539

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/01849

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:546

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/04407

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:542

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/03527

    • HR

      Hoge Raad 2026-03-27 ECLI:NL:HR:2026:540

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/00150

    • HR

      Volgorde van criteria bij beoordeling van niet-preferentiële oorsprong van goederen (1)

      X (SAS; belanghebbende) heeft in 2013 fietsen ingevoerd uit Cambodja met toepassing van een preferentieel nultarief. Na een OLAF-onderzoek stelde de Inspecteur dat voor een deel van de fietsen antidumpingrechten verschuldigd waren omdat de niet-preferentiële oorsprong China zou zijn. Volgens OLAF bedroeg de in Cambodja toegevoegde waarde minder dan 45% en waren de belangrijkste onderdelen afkomstig uit China. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de Inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens terecht heeft aangenomen dat de fietsen de niet-preferentiële oorsprong China hebben. X heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. De Hoge Raad stelt voorop dat de Inspecteur moet bewijzen dat de fietsen van oorsprong China zijn. De niet-preferentiële oorsprong moet worden vastgesteld aan de hand van technische criteria. Daarbij moet worden beoordeeld in welk land het belangrijkste productiestadium heeft plaatsgevonden en of essentiële onderdelen daar hun definitieve bestemming en eigenschappen hebben verkregen. Pas als dat onderzoek geen uitsluitsel geeft, mogen andere criteria zoals toegevoegde waarde worden toegepast. Het Hof heeft deze beoordelingsvolgorde miskend. Ook heeft het Hof zich te veel beperkt tot de werkzaamheden in Cambodja. De zaak wordt teruggewezen. Rolnummer: 22/04802

    • HR

      Omkering bewijslast bij trustverzwijging: hogere AB-heffing blijft in stand

      X (belanghebbende) hield evenals haar broer aandelen in H (bv). Tot 31 augustus 2012 had X een vordering op H van € 3.972.912. Op 13 september 2012 zijn X en H overeengekomen dat laatstgenoemde haar schuld aan X voor 31 december 2012 zou aflossen. Tevens werd overeengekomen dat H uiterlijk op 31 januari 2014 de door X gehouden aandelen inkoopt voor een bedrag van € 1.500.000. Die inkoop heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 4 maart 2014. Bij het doen van aangifte heeft X ter zake van de inkoop een vervreemdingsvoordeel aangegeven van € 1.500.000 minus € 10.008, derhalve € 1.489.992. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 het aangegeven inkomen uit aanmerkelijk belang gecorrigeerd tot € 5.816.452. Rechtbank Noord-Holland heeft het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 5.616.515. X heeft hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Vast staat dat X in haar aangifte de trustvraag niet met ‘ja’ heeft beantwoord, terwijl zij dat vanwege haar betrokkenheid bij een familietrust wel had moeten doen. Dit leidt tot toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, aldus Hof Amsterdam. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is gegrond. Het Hof volgt de stelling van de Inspecteur dat de inkoopovereenkomst niet onder normale omstandigheden is gesloten. De bepaling van de waarde in het economische verkeer van de verkochte aandelen die de Inspecteur subsidiair voorstaat (€ 4.912.947), berust volgens het Hof op een redelijke schatting. X heeft niet overtuigend aangetoond dat deze waarde (en het daaruit volgende inkomen uit aanmerkelijk belang) onjuist is. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond. Conform conclusie A-G Koopman, ECLI:NL:PHR:2024:463. Rolnummer: 23/03385

    • HR

      Wijziging verdeling box 3-grondslag na collectieve uitspraak

      X (belanghebbende) heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2017. Het bezwaar is meegenomen in de massaalbezwaarprocedure over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2017. Op 4 februari 2022 zijn de in die massaalbezwaarprocedure betrokken bezwaren bij collectieve uitspraak gegrond verklaard. Met dagtekening 21 juli 2022 heeft de Inspecteur naar aanleiding daarvan een verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 aan X gestuurd. X en zijn partner hebben op 22 juli 2022 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 om de tot stand gekomen onderlinge verhouding (de verdeling) van de grondslag sparen en beleggen te wijzigen. Bij Rechtbank Den Haag is in geschil of X en de partner de verdeling van de grondslag sparen en beleggen nog kunnen wijzigen na de collectieve uitspraak. De Rechtbank heeft hierover aan de Hoge Raad prejudiciële vragen voorgelegd. De Hoge Raad beantwoordt deze als volgt: Een belastingplichtige van wie een aanslag in de IB/PVV onherroepelijk komt vast te staan door een collectieve uitspraak op bezwaar als bedoeld in artikel 25e AWR, terwijl de Inspecteur met betrekking tot de aangewezen rechtsvraag geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, kan de tot stand gekomen onderlinge verhouding tezamen met diens fiscale partner op de voet van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 wijzigen tot zes weken nadat die aanslag door de Inspecteur op grond van artikel 25e, lid 4, AWR ter uitwerking van die collectieve uitspraak is verminderd. Conform conclusie A-G Koopman, ECLI:NL:HR:2026:495. Rolnummer: 25/02264

Naar boven