Direct naar content gaan

HR attendering 05 juni 2026

  • Hof Amsterdam

    Verminderingen BPM in verband met CO2-uitstoot

    X (belanghebbende) heeft in 2018, 2019 en 2020 ter zake van de kentekenregistratie van ruim 1.000 door haar ingevoerde personenauto’s BPM op aangifte voldaan. Ook zijn voor diezelfde periode een elftal naheffingsaanslagen BPM aan haar opgelegd. Tegen deze voldoeningen en naheffingsaanslagen heeft X steeds bezwaar gemaakt, waarna de Inspecteur uitspraken op bezwaar heeft gedaan. In geschil is onder meer de verminderingen die verband houden met de CO2-uitstootwaarde.

    ~#~

    X heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij Rechtbank Noord-Holland. De Rechtbank heeft in 110 uitspraken op de beroepen beslist.

    ~#~

    Zowel X als de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld.

    ~#~

    Hof Amsterdam waarschuwt X opnieuw wegens het structureel grievende taalgebruik van haar gemachtigde.

    ~#~

    Het verklaart de hogere beroepen van X ongegrond. X blijft jaar in jaar uit dezelfde grieven aanvoeren, terwijl die grieven al zijn verworpen door de Hoge Raad. Het betoog van X inhoudende dat de Nederlandse rechter – en dus ook de Hoge Raad – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen slaagt niet.

    ~#~

    Het hoger beroep van de Inspecteur ten aanzien van de CO2-uitstoot slaagt wel. Voor geen van de auto’s is aannemelijk gemaakt dat er een hogere CO2-uitstootwaarde als heffingsgrondslag is gehanteerd dan de CO2-uitstootwaarde die is toegepast bij de registratie van vergelijkbare Nederlandse auto’s.

    ~#~

    In één zaak klaagt de Inspecteur ook terecht over de gehanteerde koerslijst voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van een auto.

    ~#~

    Het Hof ziet aanleiding de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase opnieuw vast te stellen en daarbij, in navolging van de Rechtbank, van de forfaitaire vergoedingsregels af te wijken.

    Rolnummer: 22/00653 e.v.

  • Hof Den Haag

    Fiscale eenheid is tot stand gekomen; renteaftrek deels terecht beperkt

    De heren B en A dreven samen een onderneming waarbij zij voornamelijk bijna failliete vennootschappen opkochten, ’gezond maakten’ en verkochten. Zij brachten de projecten onder in vennootschappen die indirect toebehoorden aan B.

    ~#~

    In deze zaak is in geschil of het belastbare bedrag van X (bv; belanghebbende) voor de jaren 2001-2005 juist is vastgesteld. Meer specifiek is in de eerste plaats in geschil of een fiscale eenheid tot stand is gekomen tussen X en dochtermaatschappijen bv 2, bv 4 en bv 5.

    ~#~

    X beroept zich onder meer op het arrest HR 10 april 2017, 15/02201, ECLI:NL:HR:2017:676 (Belgische bedrijvendokter), waaruit volgens haar volgt dat niet zij maar B de economische eigendom van de aandelen in de dochtermaatschappijen had.

    ~#~

    Hof Den Haag neemt de door de Hoge Raad in het arrest gegeven oordelen niet zonder meer over.

    ~#~

    Anders dan X thans betoogt had zij in de onderhavige jaren zowel het volledige bezit van de juridische eigendom van de aandelen in de genoemde dochtermaatschappijen als het volledige bezit van de economische eigendom van die aandelen. X was in de jaren 2002 tot en met 2005 gevoegd in een fiscale eenheid met bv 2, bv 4 en bv 5, oordeelt het Hof.

    ~#~

    In de tweede plaats is in geschil de aftrekbaarheid van de door X aan nv 3 betaalde rente ter zake van de schuldig gebleven koopsom in verband met de verwerving van nv 3 van aandelen bv 2, bv 4 en bv 5.

    ~#~

    Volgens het Hof is de door X betaalde rente niet fiscaal non-existent, zodat het antwoord op de vraag of de rente in de onderhavige jaren aftrekbaar is, valt of staat met het antwoord op de vraag of artikel 10a Wet VpB 1969 aan renteaftrek in de weg staat.

    ~#~

    Het Hof oordeelt dat het uiteindelijk belang in bv 2 voor 10% is verschoven naar de heer C. Artikel 10a, lid 2, onderdeel b, Wet VpB 1969 staat in zoverre niet aan renteaftrek in de weg. Voorts maakt X aannemelijk dat voor 45% een compenserende heffing aanwezig is. De door X aan nv 3 verschuldigde rente wordt per saldo voor 55% niet in aftrek beperkt, aldus het Hof.

    ~#~

    X heeft verder recht op een immateriële schadevergoeding wegens undue delay van € 15.000.

    Rolnummer: 22/00017 22/00018 22/00019 22/00020 22/00021

  • Hof Den Bosch

    Onterechte vergrijpboetes voor echtgenote / medevennoot fiscaal adviesbureau

    X (belanghebbende) en haar echtgenoot dreven in vof-verband een adviesbureau (financieel, fiscaal en bedrijfseconomisch). Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur kosten die in aftrek op de winst zijn gebracht gecorrigeerd. In geschil zijn opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV 2011-2014 en vergrijpboetes.

    ~#~

    Hof Den Bosch oordeelt dat de (navorderings)aanslagen, zoals die na het beroep in eerste aanleg zijn vastgesteld, niet te hoog zijn vastgesteld. Met betrekking tot de vergrijpboetes oordeelt het Hof dat de Inspecteur niets heeft gesteld waarmee overtuigend is aangetoond dat X op de hoogte was van de inhoud van de ingediende aangiften. De gedragingen van de echtgenoot (en medevennoot) kunnen niet zonder meer aan X worden toegerekend. De stelling van X dat haar echtgenoot/medevennoot de verantwoordelijkheid had ten aanzien van de fiscale verplichtingen en dat hij de aangiften heeft ingediend, heeft de Inspecteur niet weersproken. Het Hof is daarom van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat X bewust de kans heeft aanvaard dat de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.

    ~#~

    Er bestaat ook onvoldoende grond om grove schuld aan te nemen. De vergrijpboetes worden vernietigd.

    Rolnummer: 22/1041 22/1042 22/1043 22/1044 22/1045 22/1046 22/1047 22/1048

  • Hof Den Bosch

    Correcties en vergrijpboetes na boekenonderzoek bij fiscaal adviesbureau

    X (belanghebbende) en zijn echtgenote dreven in vof-verband een adviesbureau (financieel, fiscaal en bedrijfseconomisch). De werkzaamheden worden verricht vanuit een kantoorruimte in de eigen woning.

    ~#~

    Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur kosten die in aftrek op de winst zijn gebracht, gecorrigeerd. In geschil zijn opgelegde (navorderings)aanslagen IB/PVV 2011-2014 en vergrijpboetes.

    ~#~

    Hof Den Bosch oordeelt dat de (navorderings)aanslagen, zoals die na het beroep in eerste aanleg zijn vastgesteld, niet te hoog zijn vastgesteld. Het Hof oordeelt onder meer dat de werkruimte in de woning niet een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt. De gestelde kosten die verband houden met de werkruimte zijn daarom niet aftrekbaar. Ten aanzien van andere kosten heeft X de zakelijkheid niet aannemelijk gemaakt.

    ~#~

    De vergrijpboetes zijn passend en geboden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de boetes wegens undue delay al maximaal verminderd. Het Hof volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

    Rolnummer: 22/1034 22/1035 22/1036 22/1037 22/1038 22/1039 22/1040 22/1050

  • Hof Amsterdam

    Lagere immateriële schadevergoeding in WOZ-zaak; vergoeding griffierecht

    Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van X (belanghebbende) in deze WOZ-zaak ongegrond verklaard maar wel een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500 en als gevolg daarvan een vergoeding van proceskosten.

    ~#~

    Hof Amsterdam verwerpt in hoger beroep de klacht van X dat de Heffingsambtenaar zijn verplichting uit hoofde van artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden door onvoldoende inzicht te geven in de cijfermatige aanpassing waartoe de verschillen in de KOLDU-factoren hebben geleid (vgl. Hof Amsterdam 7 mei 2024, 23/856 e.a., ECLI:NL:GHAMS:2024:1229, r.o. 4.5).

    ~#~

    Ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht sluit het Hof aan bij het arrest HR 31 mei 2024, 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567, NLF 2024/1356. Aangezien het verzoek van X om een vergoeding van immateriële schade is gedaan voor de datum van dit arrest, wordt de Heffingsambtenaar opgedragen aan X het voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

    ~#~

    In incidenteel hoger beroep betoogt de Heffingsambtenaar primair dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend dan wel subsidiair dat die dient te worden gematigd.

    ~#~

    Volgens het Hof bestaat onvoldoende aanleiding voor een uitzondering op de regel dat bij een overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie bij X dient te worden verondersteld. Het vergoeden van de (veronderstelde) psychische schade van X naar het tarief van € 500 per half jaar in dit specifieke geval zou echter leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie, aldus het Hof. Een schadevergoeding van € 50 per half jaar acht het Hof in dit geval redelijk. Het incidentele hoger beroep van de Heffingsambtenaar slaagt in zoverre. Daarbij past voorts een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) ten aanzien van de proceskostenvergoeding.

    Rolnummer: 23/771

  • Hof Amsterdam

    Naheffing OB bij ondernemer; cv’s kwamen niet tot stand

    X (belanghebbende) heeft, al dan niet in opdracht van een commanditaire vennootschap, economische activiteiten uitgevoerd. De activiteiten bestonden uit het in- en verkopen van tickets via internet voor concerten, (sport)evenementen en theater. In het jaar 2012 is X gestopt met het in- en verkopen van tickets. X heeft over de jaren 2010 tot en met 2013 geen omzetbelasting op aangifte voldaan.

    ~#~

    Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan X naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de vergoedingen die zijn ontvangen in verband met de activiteiten betrekking hebben op prestaties verricht door X en niet door de cv’s.

    ~#~

    Rechtbank Noord-Holland acht aannemelijk dat civielrechtelijk geen cv’s tot stand zijn gekomen en ook geen andere samenwerkingsvorm. Dit betekent dat de economische activiteiten aan X als belastingplichtige moeten worden toegerekend. De Inspecteur heeft dus terecht de in verband met de activiteiten ontvangen vergoedingen als belaste omzet bij X in aanmerking genomen. De verschuldigde omzetbelasting is ook juist berekend. De naheffingsaanslag 2010 is alleen verminderd tot € 9.503 wegens een overnamefout.

    ~#~

    Hof Amsterdam bevestigt in hoger beroep de oordelen van de Rechtbank. De in hoger beroep aangevoerde stellingen slagen niet.

    Rolnummer: 20/00712 20/00713 20/00714

  • Hof Den Bosch

    Navordering na boekenonderzoek; diverse correcties; ongegrond hoger beroep

    De activiteiten van X (bv; belanghebbende) bestaan uit het geven van financiële, fiscale en bedrijfseconomische adviezen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek over de jaren 2011 tot en met 2015 heeft de Inspecteur de aangiften vennootschapsbelasting op een aantal punten gecorrigeerd.

    ~#~

    Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant was in geschil of de (navorderings)aanslagen vpb 2011 tot en met 2015 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. In het bijzonder was in geschil of de Inspecteur terecht correcties heeft aangebracht inzake de representatiekosten, kantinekosten, reiskosten, administratie- en advieskosten en de buitengewone lasten. Voorts was in geschil of de Inspecteur terecht verzuim- en vergrijpboetes heeft opgelegd.

    ~#~

    In de beroepsfase heeft de Inspecteur de ‘aftrek kosten werk derden’ voor alle jaren alsnog volledig geaccepteerd, de correctie aftrek relatiegeschenken (2011) teruggenomen en van de initieel 100% gecorrigeerde aftrek reiskosten voor alle jaren alsnog 50% geaccepteerd. De Rechtbank heeft – mede gelet hierop – de belastbare bedragen van X opnieuw vastgesteld.

    ~#~

    Tegen dit oordeel heeft X hoger beroep ingesteld bij Hof Den Bosch.

    ~#~

    Het Hof oordeelt echter dat het hoger beroep van X ongegrond is en dat de (navorderings)aanslagen en boetes, zoals die na het beroep in eerste aanleg zijn vastgesteld, niet te hoog zijn vastgesteld.

    Rolnummer: 22/1027 22/1028 22/1029 22/1030 22/1049

  • Hof Den Bosch

    Correcties in aftrek gebrachte voorbelasting; onzakelijke uitgaven

    Naar aanleiding van een boekenonderzoek stelt de Inspecteur dat door X (een vennootschap met twee vennoten; belanghebbende) in aftrek gebrachte voorbelasting betrekking heeft op onzakelijke uitgaven. Dit heeft – voor zover in hoger beroep van belang en in geschil – geleid tot correcties omzetbelasting inzake huisvestingskosten, verkoopkosten en kantoorkosten (jaren 2013 en 2014).

    ~#~

    Hof Den Bosch oordeelt dat X ten aanzien van de meeste kosten de zakelijkheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

    ~#~

    De voorbelasting op representatiekosten bestaat uit voorbelasting op verstrekkingen van spijzen en dranken voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf. Van dergelijke kosten komt de voorbelasting op grond van artikel 15, lid 5, Wet OB 1968 niet voor aftrek in aanmerking.

    ~#~

    X is in hoger beroep met betrekking tot de kantoorkosten met name ingegaan op het gebruik van iPads. De vennoten hebben ieder de beschikking over een iPad, waarvan de voorbelasting door X in aftrek is gebracht en door de Inspecteur is geaccepteerd. Ten aanzien van een derde iPad is het gestelde gebruik door cliënten onvoldoende aannemelijk om te kunnen concluderen tot zakelijk gebruik daarvan.

    ~#~

    Al met al oordeelt het Hof dat de naheffingsaanslagen, zoals die na het beroep in eerste aanleg zijn vastgesteld, niet te hoog zijn vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond.

    Rolnummer: 22/1031 22/1032 22/1033

Naar boven