Verminderingen BPM in verband met CO2-uitstoot
X (belanghebbende) heeft in 2018, 2019 en 2020 ter zake van de kentekenregistratie van ruim 1.000 door haar ingevoerde personenauto’s BPM op aangifte voldaan. Ook zijn voor diezelfde periode een elftal naheffingsaanslagen BPM aan haar opgelegd. Tegen deze voldoeningen en naheffingsaanslagen heeft X steeds bezwaar gemaakt, waarna de Inspecteur uitspraken op bezwaar heeft gedaan. In geschil is onder meer de verminderingen die verband houden met de CO2-uitstootwaarde.
~#~X heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij Rechtbank Noord-Holland. De Rechtbank heeft in 110 uitspraken op de beroepen beslist.
~#~Zowel X als de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld.
~#~Hof Amsterdam waarschuwt X opnieuw wegens het structureel grievende taalgebruik van haar gemachtigde.
~#~Het verklaart de hogere beroepen van X ongegrond. X blijft jaar in jaar uit dezelfde grieven aanvoeren, terwijl die grieven al zijn verworpen door de Hoge Raad. Het betoog van X inhoudende dat de Nederlandse rechter – en dus ook de Hoge Raad – niet bevoegd is het Unierecht zelf uit te leggen slaagt niet.
~#~Het hoger beroep van de Inspecteur ten aanzien van de CO2-uitstoot slaagt wel. Voor geen van de auto’s is aannemelijk gemaakt dat er een hogere CO2-uitstootwaarde als heffingsgrondslag is gehanteerd dan de CO2-uitstootwaarde die is toegepast bij de registratie van vergelijkbare Nederlandse auto’s.
~#~In één zaak klaagt de Inspecteur ook terecht over de gehanteerde koerslijst voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van een auto.
~#~Het Hof ziet aanleiding de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase opnieuw vast te stellen en daarbij, in navolging van de Rechtbank, van de forfaitaire vergoedingsregels af te wijken.
Rolnummer: 22/00653 e.v.